Lucepedia

Digitale theologische encyclopedie

Verantwoordelijke redacteur dossier: Hans van Loon
Dossiers » Pesynthius van Koptos » introductie » Pesynthius van Koptos (ca. 549-632)

Pesynthius van Koptos (ca. 549-632)

Zijn naam

‘Pesynthius’ (in het Sahidisch-Koptisch: Pesynthios, Pesente) was in de zevende eeuw een veel voorkomende naam in ‘westelijk Thebe’, het gebied op de westelijke oever, tegenover Luxor (Thebe), maar de oorsprong ervan is onbekend. Vaak hanteren onderzoekers de spelling ‘Pisentius’, die ontleend is aan de Bohairische versie van de biografie van de bisschop van Koptos. In het Arabisch wordt de naam uitgesproken als ‘Bisantawus’.

Het Koptisch was de laatste fase van de inheemse Egyptische taal, die sterk door het Grieks beïnvloed was. Dit blijkt uit de vorm van het schrift en de vele, oorspronkelijk Griekse woorden die – eventueel aangepast – gemeengoed geworden waren. De voornaamste taalvarianten waren het Sahidisch uit Zuid-Egypte (3e/4e eeuw – ca. 1000 na Chr.) en het Bohairisch uit Noord-Egypte (vanaf 1000 na Chr. – 14e eeuw). Tegenwoordig is het Bohairisch beperkt in gebruik als liturgietaal, naast het Arabisch en het Grieks.

Context

In de loop van de zesde eeuw ontwikkelde de ‘monofysitische’ beweging, die vanwege het theologisch conflict tijdens het concilie van Chalcedon was ontstaan, zich tot een zelfstandige kerk naast de officiële ‘chalcedonische’ kerk, die door de Byzantijnse staat gesteund werd. Vooral patriarch Damianus van Alexandrië (576-605) heeft aan deze ontwikkeling bijgedragen door veel bisschoppen te wijden, onder wie ook Pesynthius van Koptos (in 599).

Pesynthius was een monnik van het Klooster van Tsenti, dat eens op de westelijke oever van de Nijl in de buurt van het huidige dorp Naqada lag. Hij zou daar alleen in een grot hebben gewoond en ook na zijn wijding tot bisschop van Koptos bij het klooster zijn blijven wonen. Dit is opmerkelijk, omdat de eigenlijke bisschopszetel in de stad Koptos op de oostelijke oever lag. Zetelde daar misschien een ‘chalcedonische’ bisschop?

In 619 vielen de Perzen Egypte binnen en verwoestten ze veel kloosters die ze onderweg tegenkwamen. Volgens de literaire traditie is Pesynthius samen met zijn leerling Johannes zuidwaarts naar het naburige bisdom Hermonthis gevlucht en heeft hij zich in het heuvelachtige westelijk Thebe schuilgehouden. De vondst van brieven aan of over bisschop Pesynthius in het ‘Klooster van Epiphanius’, eigenlijk een nederzetting van kluizenaars onder leiding van Epiphanius, is een duidelijke aanwijzing dat hij daar een tijd heeft gewoond.

Het lijkt erop dat Pesynthius na de Byzantijnse herovering van Egypte (in 629) is teruggekeerd naar het Klooster van Tsenti. Daar is hij in 632 overleden en begraven. Hij heeft de Arabische verovering, zo’n zeven jaar later, niet meegemaakt.

Een rijkdom aan bronnen

Pesynthius van Koptos is een interessante heilige, omdat hij niet alleen bekend is van literaire teksten, die hem beschrijven als een ideale monnik en bisschop, maar ook van authentieke documenten uit zijn bisschoppelijk archief. Deze – vaak fragmentarische – bronnen laten ons een glimp zien van de verschillende soorten zaken waar hij mee te maken kreeg. Daarnaast worden er enkele teksten aan hem toegeschreven, waarvan er een (de Apocalyps) zeker postuum is, maar waaruit blijkt hoe hij door latere generaties werd herinnerd. We zullen de verschillende soorten teksten hieronder kort bespreken.

Het Encomium (lofrede) op bisschop Pesynthius

Deze tekst is in verschillende versies in het Sahidisch, Bohairisch en Arabisch overgeleverd. Lange tijd was de Sahidische versie vooral bekend van een 11e-eeuws manuscript, maar in 2005 hebben Poolse archeologen in de buurt van het ‘Klooster van Epiphanius’ een 7e-eeuws manuscript gevonden met ongeveer dezelfde tekst. Van alle versies moet deze tekst het dichtst bij het origineel hebben gestaan. Het oudere manuscript bevindt zich nu in het National Museum in Alexandrië om geconserveerd te worden. Op verzoek van het Polish Centre of Mediterranean Archaeology in Warschau bereidt de auteur (Renate Dekker) de publicatie ervan voor.

Volgens de titel van het 7e-eeuwse manuscript is het Encomium gebaseerd op een lofrede die bisschop Mozes van Koptos voordroeg ter nagedachtenis aan zijn voorganger Pesynthius en met de instemming van diens leerling Johannes, maar soms is het Johannes die vertelt. Men krijgt de indruk dat het geschreven werk wel aan bisschop Mozes wordt toegeschreven, maar dat een ander verantwoordelijk is voor de redactie (Johannes of een anonieme schrijver).

In de lofrede wordt een aantal beweringen over Pesynthius gedaan die met anekdotes worden toegelicht en met lofzangen worden afgewisseld. De bedoeling van de schrijver was om zijn publiek ervan te overtuigen dat Pesynthius werkelijk een man van God was en dat hij het verdient om herdacht te worden.

Het begin van de tekst gaat over de periode toen Pesynthius nog bij het Klooster van Tsenti woonde. Hij wordt beschreven als een kluizenaar die zijn spiritualiteit verborg, omdat hij bang was dat God hem niet meer zou belonen voor goede werken als mensen hem er al om geprezen hadden. Een keer stonden zijn broer en een vriend ’s morgens vroeg aan zijn deur, maar omdat ze hem hardop uit de profetische boeken hoorden lezen, durfden ze hem niet te storen en bleven ze wachten. ’s Avonds was Pesynthius klaar en zag hij zijn bezoekers zitten. Toen hij doorkreeg dat ze er al de hele dag hadden gezeten, barstte hij in tranen uit: niet omdat hij hen zo lang had laten wachten, maar omdat ze wisten van zijn geestelijke arbeid en hij geloofde dat zijn inspanningen voor niets waren geweest.

Er wordt van Pesynthius gezegd dat hij zo zuiver was, dat heiligen hem gezelschap kwamen houden toen hij ziek was. Toen zijn medebroeders hem een week niet hadden gezien, werden ze bezorgd en stuurden ze iemand naar zijn grot. Deze broeder zag aan Pesynthius’ bed een harige man zitten, die zo straalde dat hij hem niet kon aankijken. Het bleek de profeet Elia te zijn. Pesynthius was kwaad op de broeder, omdat Elia zou weggaan nu hij gekomen was, maar Elia zei dat God het zo beschikt had.

Als jongen zou Pesynthius God in de vorm van een vuurkolom hebben gezien, terwijl hij de schapen van zijn vader hoedde. Toen hij God vroeg of zijn maatjes de vuurkolom ook mochten zien, werd zijn bede verhoord. Ook op latere leeftijd waren zijn gebeden effectief. Toen een zieke broeder snakte naar een beetje vis, bad Pesynthius op een dijk en daarop dreef een sterke stroming een grote vis zijn kant op. En toen hij een keer water ging halen maar zijn emmer en touw vergeten was, bad hij dat het water uit de put zou opstijgen, zodat hij alsnog zijn waterkruik kon vullen, en het gebeurde. Zijn gebed was soms zo vurig, dat zijn vingers ‘licht gaven als tien brandende lampen’.

Mede vanwege zijn verbondenheid met God werd Pesynthius gezien als een waardige bisschop, maar de schrijver moest wel zien te verklaren waarom deze aandachtsschuwe kluizenaar het bisschopsambt had aanvaard. Hij benadrukt dat Pesynthius helemaal geen bisschop wilde worden, omdat hij dan de stilte van de woestijn moest missen. Om de geestelijken van Koptos te ontwijken vluchtte hij naar westelijk Thebe, maar ook daar wisten ze hem te vinden. ‘Hij was niet op zoek naar roem, maar de roem achtervolgde hem’. Vlak voordat ze bij zijn schuilplaats aanklopten, werd hij letterlijk door God geroepen om het ambt te aanvaarden, zoals hij aan een gezaghebbende kluizenaar zou hebben verteld.

Pesynthius bleef in het Klooster van Tsenti wonen en werd bijgestaan door zijn assistent Johannes. Volgens hem was de bisschop helderziend en wist hij wat er op andere plaatsen gebeurde, ook al was hij daar zelf niet bij, en kon hij iemands zonde of onschuld van het gezicht aflezen. Zijn eigen gezicht zou na de bisschopswijding een bepaalde glans hebben gekregen, waardoor niemand hem meer durfde aan te kijken.

De bijdragen die Pesynthius uit zijn bisdom ontving deelde hij uit aan de armen, zoals een goede bisschop hoort te doen. Pesynthius zou echter bijzonder veel aalmoezen hebben gegeven, zelfs ver buiten zijn eigen bisdom, tot aan de zuidelijke grens van Egypte.

Pesynthius stond bekend om zijn welsprekendheid en om de strenge pastorale brieven die hij aan de inwoners van zijn bisdom schreef. Het Encomium citeert uit twee brieven, waarin de bisschop zegt dat God de Perzen heeft gestuurd om de bevolking te straffen voor hun zedeloosheid. Hij maant hen om berouw te hebben en om veel aalmoezen te geven omwille van hun zielenheil.

Tijdens de Perzische bezetting zaten Pesynthius en Johannes ondergedoken in West-Thebe. Voor de bisschop was het een geluk bij een ongeluk dat hij weer in de woestijn kon verblijven. Toen het water opraakte, stikte Johannes bijna van de dorst, maar Pesynthius vertrouwde erop dat God net zo goed voor hen zou zorgen als voor de profeet Elia (1 Kon. 19: 5-8) en inderdaad waren de kruiken op wonderlijke wijze tot aan de rand gevuld met water.

Vermoedelijk zijn Pesynthius en Johannes naar het Klooster van Tsenti teruggekeerd. Uiteindelijk werd de bisschop erg ziek. Zoals veel heiligen kreeg hij een visioen waarin een man van licht zijn dood aankondigde. Pesynthius vertrouwde zijn papieren toe aan Mozes (de latere bisschop van Koptos) en vroeg Johannes om in zijn monnikskleren begraven te worden.

Tot zover de Sahidische versie. De Bohairische versie (10e-eeuws) en de lange en kortere Arabische versies (14e-19e eeuw) zitten inhoudelijk anders in elkaar, omdat ze voor een ander publiek zijn aangepast. Ze bestaan hoofdzakelijk uit reeksen wonderverhalen, waarvan er in de loop der tijd heel wat van zijn bijgekomen.

Een van de bekendste verhalen over Pesynthius is slechts in het Bohairisch en Arabisch overgeleverd: het verhaal waarin Johannes de bisschop ziet spreken met een mummie in een Oud-Egyptische tombe.

Documenten uit het ‘Pesynthius-archief’

Het ‘Pesynthius-archief’ bestaat voornamelijk uit brieven op papyrus, maar er zijn ook teksten die op potscherven of kalksteenbrokken geschreven zijn, allemaal in het Sahidisch, maar soms met een oudere Griekse tekst op de achterkant. Volgens een grove schatting zijn er ongeveer 130 brieven bekend die direct of indirect met de bisschop in verband kunnen worden gebracht.

De meeste documenten kwamen in de 19e eeuw in de handel en raakten verspreid over collecties in de hele wereld: onder andere in Parijs (Musée du Louvre), Londen (British Museum, Petrie Museum), Amsterdam (Allard Pierson Museum), Antwerpen (HeadQuarters), Cairo (Koptisch Museum), Berkeley (Bankroft Library) en Canberra (ANU Classics Museum). De documenten zijn vrijwel zeker afkomstig uit het ‘Klooster van Epiphanius’, waar nog 25 andere brieven tussen het puin zijn ontdekt. Vanuit deze kluizenaarsnederzetting, die in het naburige bisdom Hermonthis lag, onderhield Pesynthius blijkbaar contacten met de geestelijken en lokale bestuurders in zijn eigen bisdom.

Sinds 2006 werkt een internationaal team onder leiding van Florence Calament (Musée du Louvre) en Jacques van der Vliet (Universiteit Leiden, Radboud Universiteit Nijmegen) aan de publicatie van de documenten in het Musée du Louvre en andere, nog ongepubliceerde brieven.

De meeste brieven zijn rapportages of verzoekschriften aan de bisschop, maar af en toe zien we zijn betrokkenheid bij huwelijkse aangelegenheden, schandalen in kloosters of sociale conflicten, soms zelfs buiten zijn eigen bisdom. Zo schreef bisschop Pesynthius een boze brief aan een burgemeester in een naburig bisdom, omdat dorpelingen het vee van een klooster hadden meegenomen. De burgemeester brengt echter in dat de dorpelingen arm zijn, omdat ze alweer belasting voor zes jaar vooruit hebben moeten betalen, en hij verwijt de bisschop dat hij de afgelopen vijf jaar niet heeft ingegrepen.

Toegeschreven werken

Pesynthius was mogelijk de auteur van een lofrede over de heilige kluizenaar Onuphrius, een tekst die eigenlijk leest als een preek over hoe mensen zich tijdens de herdenking van deze heilige horen te gedragen en hoe beslist niet. Dan is er nog een fragmentje van een preek.

Gezien de reputatie van Pesynthius als een helderziende bisschop, is het niet vreemd dat er in latere tijden een profetische tekst aan hem werd toegeschreven, die alleen in het Arabisch is overgeleverd. Volgens deze Apocalyps voorspelde Pesynthius op zijn sterfbed de onderdrukking van Egypte door de Arabieren, misoogsten, vele doden, de ontheiliging van kerken en een grote geloofsafval, maar uiteindelijk ook de bevrijding van Egypte door een Byzantijnse keizer. De tekst maant christenen om standvastig te blijven. Jos van Lent stelt dat deze en vergelijkbare Apocalypsen in de tiende eeuw werden geschreven door kopten die zich vervreemd voelden van de samenleving, omdat deze steeds meer arabiseerde en islamiseerde. Door dergelijke teksten aan gezaghebbende kerkelijke leiders toe te schrijven hoopten ze andere kopten de moed te geven om trouw te blijven aan het geloof.

(door Renate Dekker)



Bron: Tilburg School of Catholic Theology, met dank aan Renate Dekker.